Wie in het aardbevingsgebied schade meldt, krijgt te maken met een bijzondere bewijsregel. In artikel 6:177a van het Burgerlijk Wetboek staat het wettelijk bewijsvermoeden: bij fysieke schade aan gebouwen en werken die naar haar aard redelijkerwijs schade door bodembeweging als gevolg van gaswinning uit het Groningenveld zou kunnen zijn, wordt vermoed dat die schade daardoor is veroorzaakt.
Wat het bewijsvermoeden doet
- Het draait de bewijslast om. Niet de eigenaar moet aantonen dat de gaswinning de oorzaak is; de exploitant moet aannemelijk maken dat een andere oorzaak in het spel is.
- Het geldt voor fysieke schade aan gebouwen en werken. Andere schadesoorten, zoals waardedaling of immateriële schade, kennen hun eigen regelingen bij het Instituut Mijnbouwschade Groningen (IMG).
- Het vermoeden geldt binnen het aangewezen effectgebied. Buiten dat gebied wordt de melding op de gewone manier beoordeeld.
De actuele werkwijze en de regelingen staan op img.nl en bij de Rijksoverheid.
Waarom de bouwkundige opname toch bepalend blijft
Het bewijsvermoeden gaat over de juridische vraag wie wat moet aantonen. Het zegt niets over de vraag hoe een scheur hersteld moet worden en wat dat kost. Die vraag is bouwkundig. In de praktijk gaat de discussie zelden over het bestaan van de scheur, maar over drie andere punten:
- Het schadebeeld. Waar loopt de scheur, hoe breed is hij, volgt hij het voegwerk of loopt hij dwars door de stenen? Een scheur die door stenen loopt duidt op een andere krachtswerking dan een scheur die het lint- en stootvoegpatroon volgt.
- De constructieopbouw. Een gemetselde spouwmuur met gecorrodeerde spouwankers reageert anders op trillingen dan een gestabiliseerde wand. Wat niet zichtbaar is, moet worden onderzocht of als onbekend worden gerapporteerd.
- De herstelmethode. Uitkrabben en opnieuw voegen is iets anders dan scheurherstel met roestvaste spiraalankers, en dat is weer iets anders dan het inboeten van stenen of het aanbrengen van een lateiconstructie.
Wat wij vastleggen bij een opname
Bij een bouwkundige schade-opname leggen wij het schadebeeld vast met een fotodossier, plaatsbepaling per bouwdeel en een beschrijving van scheurbreedte, verloop en richting. Waar de ontwikkeling van een scheur relevant is, plaatsen wij meetpunten voor scheurmonitoring: een nulmeting en vervolgmetingen op vaste momenten, zodat vast te stellen is of een scheur nog werkt of stabiel is.
Gegevens die niet zijn vast te stellen zonder destructief onderzoek, rapporteren wij als "Onbekend". Een geschatte constructieopbouw die later onjuist blijkt, kost in een procedure meer dan een eerlijke onbekende.
Contra-expertise: waar het meestal misgaat
Bij een contra-expertise toetsen wij een bestaand deskundigenrapport op zijn bouwkundige onderbouwing. Terugkerende punten:
- De herstelmethode past niet bij het schadebeeld. Er wordt voegwerk begroot terwijl het scheurbeeld op zetting of op ankercorrosie wijst.
- De hoeveelheden kloppen niet. Er wordt per strekkende meter scheur gerekend, terwijl het metselwerk in de praktijk per vlak moet worden aangepakt om kleurverschil en aftekening te voorkomen.
- Randwerk ontbreekt. Steigerwerk, stelling, afzetting, herstel van dorpel- en kozijnaansluitingen en het opnieuw aanhelen van het voegwerk rondom zijn wel nodig maar niet begroot.
- De bestaande voegsoort is niet beoordeeld. Een nieuwe, hardere voeg in oud, zacht metselwerk brengt spanning in de steen en veroorzaakt op termijn nieuwe schade.
Praktisch
Bewaar oude foto's van de gevel, ook vakantiekiekjes waarop de gevel toevallig zichtbaar is. Die beelden zijn vaak het enige harde bewijs van de situatie vóór de schade. Noteer bij een nieuwe scheur de datum en zet, als dat veilig kan, een potloodstreepje met datum aan het uiteinde van de scheur: zo is later te zien of hij is doorgelopen.